Het
orgel
Bron: De
Jacobijner, hart van Leeuwarden; een boekje, geschreven door Ad Fahner en Jes
Wassenaar.
Ongetwijfeld het belangrijkste interieurstuk van de Grote kerk is het orgel dat,
sedert 1727, de gehele westwand van de kerk vult. Op 19 maart 1727 werd het
nieuwe instrument in opdracht van het stadsbestuur gekeurd door enkele bekwame
organisten. Zij brachten op 25 maart een zeer gunstig rapport uit waarna de roem
van het orgel begon en dat tot op de huidige dag!!!
Dat
orgels niet altijd de functie van begeleidingsinstrument hebben gehad is minder
bekend. De Grote Kerk is gebouwd als kerk voor het Jacobijnerklooster. In 1580
vond de omwenteling plaats waarbij de RK eredienst werd vervangen door de
Protestantse. Al voor 1580 was er een
orgel aanwezig in de Jacobijnerkerk dat geregeld werd bespeeld, meestal tijdens
kerkelijke feestdagen. Wellicht waren er
zelfs twee instrumenten aanwezig want in 1638 krijgt Gijsbert Harmens Havinck 30
gld. betaalt voor reparaties aan het kleine orgel. Tot vermaak van de
burgerij werden er 's avonds
orgelbespelingen gehouden. Er werden dan meestal geen 'christelijke' deuntjes
gespeeld maar juist populaire!! Uit 1580 is er een rekening
bewaard gebleven voor kaarsen die gebruikt werden "om te lichten de
Borgerije, wandelende des avents in den winter in Jacobijner kerk, als men
aldaer op de orgelen speelt" en uit januari 1602 is een
bericht bewaard gebleven dat het
stadsbestuur maatregelen wil treffen om de onregelmatigheden die 's avonds onder
het orgelspel in de Jacobijnerkerk gepleegd worden tegen te gaan.
![]() |
Na de omwenteling van 1580 werd het orgel in ieder geval niet gebruikt tijdens de kerkdiensten hoogstens voor en na de dienst. Het zingen van de Psalmen ging zonder begeleiding en schijnt meer geschreeuw dan zingen te zijn geweest. Tussen 1634 en 1680 gingen de meeste steden in ons land er toe over om het orgel te gebruiken als begeleidingsinstrument tijdens het zingen, om zo het kerkvolk in toom te houden en het zingen te verbeteren. Waarschijnlijk is dit in Leeuwarden in 1639 gebeurd omdat toen de salarissen van de organisten van de Jacobijner-en Galileërkerk nogal zijn verhoogd. De orgels waren niet berekend voor hun nieuwe taak en moesten dus worden aangepast. Het bescheiden instrument was opgesteld tegen de noordmuur op de plaats waar nu het meest oostelijke venster zit. Het huidige orgel is gebouwd in de jaren 1724 – 1727 door een Amsterdamse orgelbouwer, die afkomstig was uit de Harz in Duitsland, Christian Müller. Het is wel aardig om te weten waarom er in de Jacobijnerkerk een ander orgel kwam. In die tijd waren de kerkgebouwen een stedelijke aangelegenheid. De stad had dus de zorg voor het gebouw en de inventaris. Er waren behalve de Grote kerk nóg twee Hervormde kerkgebouwen te weten de Westerkerk in de Bagijnestraat en de Galileërkerk die tot 1940 stond aan de Tweebaksmarkt ten noorden van het v.m. postkantoor. |
Van deze kerken
beschikte de Westerkerk niet over een orgel en toen men daar
verandering in wilde brengen kwam de Bouwmeester Dr. Edo Scheltinga in de
vergadering (7 april 1724) van de Magistraat met
het voorstel om het bestaande orgel van de
Jacobijnerkerk over te plaatsen naar de Westerkerk en in de Jacobijnerkerk een
nieuw groot orgel te laten maken. Dit voorstel werd aangenomen en er werd een
commissie gevormd bestaande uit drie
personen die een nader onderzoek zou doen. Op 2 juni kreeg de organist van de
Grote Kerk, Rynoldus Popma van Oevering, opdracht om in Holland "sigh
naukeurigh te informeeren, na de nieuwste soort en modellen van orgelen, en de
beste meesters om te maken, mitsgaders de prijsen" .
Popma
van Oevering komt dan in Amsterdam in contact met
Christian Müller die daar reeds een zekere faam genoot. Op 21 juli komt
deze orgelbouwer dan naar Leeuwarden om met de commissie
die het stadsbestuur had benoemd verder
te onderhandelen. Müller had een tekening meegenomen
en reeds op 28 juli werd het contract getekend. Het orgel zou bestaan uit
3 klavieren (toetsenborden) en een vrij pedaal voor de voeten. Het instrument
zou over 37 registers (= rijen pijpen)
beschikken. Müller moest ook het oude orgel repareren
en overplaatsen naar de Westerkerk. Voor dit alles zou hij 9000 gld. ontvangen.
Vrij
spoedig begon men met de bouwkundige aanpassingen van de kerk. Het nieuw te
bouwen instrument zou komen te staan aan de westzijde van de kerk waardoor het
grote raam dat daar aanwezig was moest worden dichtgemetseld. Ook moest tegen de
westgevel een uitbouw gebouwd worden waar
de acht grote blaasbalgen geplaatst
zouden worden, het z.g. balgenhuis. In augustus 1725 koopt men dan het nodige
hout voor de orgelkas. Deze werd naar ontwerp van de orgelbouwer en in overleg
met hem vervaardigd onder leiding van stadstimmerman
Claes Bockes Balck. Ze kwam te rusten op 4 zuilen van Bremersteen.
Pas
in december 1725 verhuisde de orgelbouwer
met zijn gezin en enkele knechten naar Leeuwarden om het orgel te bouwen. We
weten dit omdat zij zich op 16 december 1725 lieten inschrijven als lidmaat van
de Lutherse gemeente. De stad zal gezorgd hebben voor
huisvesting en een werkplaats. Waarschijnlijk is het orgel gebouwd in de vm
kerk van Nijehove die ten zuidwesten van de Grote Kerk stond en voor
diverse doeleinden werd gebruikt.
![]() |
Na 14 maanden bouwtijd was het instrument zover klaar dat er een keuring kon plaats vinden. Deze vond plaats, zoals we hier boven al zagen, op 19 maart en de drie keurmeesters te weten Petrus Havinga, organist van de Groninger Martinikerk, Nicolaas Woorthouder van Rotterdam (voorheen te Leeuwarden) en Rynoldus Popma van Oevering uit Leeuwarden waren zeer te spreken over het geleverde werk. Deze keuring was openbaar en behalve het stadsbestuur waren dan ook "andere fatsoenlicke luyden of liefhebbers van de muysijck" aanwezig. Na afloop werd men "op den Raadhuijse in de groote Reghtkamer met een glas wijn en sijn toebehooren onthaald". Het stadsbestuur smaakte het genoegen de Grote Kerk met een prachtig orgel te hebben verrijkt "overeenkomende met de grootte en 't aansien van dese Hoofdstad der Provintie". Het was dan ook een schitterend instrument geworden. Vanuit de kerk kan men 230 (front)pijpen tellen maar het binnenwerk bevatte ook nog zo'n 2252 pijpen variërende in grootte van enkele millimeters tot ruim 5 meter. Op het orgel staan drie manshoge beelden voorstellende Geloof, Hoop en Liefde met daartussenin twee bazuinblazende engelen. Dit beeldhouwwerk is van de hand van de beeldhouwer Gerbrand van der Haven terwijl de kleinere figuren op het Rugpositief vervaardigd zijn door Jacob Sydses Bruinsma, die enkele jaren later ook het snijwerk onder het orgel met daarin het wapen van de stad mocht maken. |
Uiteraard
is het orgel sedert 1727 diverse malen aan de veranderende smaak aangepast maar
tijdens de vorige kerkrestauratie (1972
–1976) is het instrument weer naar zijn oorspronkelijke staat gerestaureerd
door de Leeuwarder orgelmakers Bakker & Timmenga. Ook de orgelkas kreeg
weer de originele kleur (Venetiaans rood) terug. (In de 19e
eeuw is het orgel ooit groen geverfd, wit en later bruin!)
In
het najaar van 2002 is het instrument
schoongemaakt, gerepareerd en gestemd. Ook is toen een nieuwe tremulant voor het
Bovenwerk gemaakt en zijn de registernamen ter weerszijden van de klavieren in
goud vernieuwd.
Nog steeds wordt het Leeuwarder Müllerorgel beschouwd als één van de belangrijkste orgels van Nederland "overeenkomende met de grootte en 't aansien van dese Hoofdstad der Provintie".